Wikileaksdocumenten schijnen licht op sinistere operaties
Amerika's moordcommando's in Afghanistan - I

20 augustus 2010
Door Pratap Chatterjee

"Find, fix, finish, and follow-up" ("vinden, oplossen, afmaken, opvolgen"), zo omschrijft het Pentagon de missies van geheime militaire teams in Afghanistan met een mandaat om mensen die ervan verdacht worden lid te zijn van de Taliban of Al Qaeda te vervolgen, waar ze zich ook mogen bevinden. Sommigen noemen dit "mensenjacht" en de eenheden die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering worden 'capture/kill'-teams ("vangen/doden") genoemd.

Welke terminologie je ook kiest, de details van tientallen van hun specifieke operaties - en hoe ze regelmatig rampzalig eindigden - zijn voor het eerst onthuld in the grote hoeveelheid geheime documenten van het Amerikaanse leger en de geheime diensten die in juli door klokkenluider-website Wikileaks onder grote media-aandacht en protesten werden gepubliceerd. De teams zijn onderdeel van een type oorlogsvoering dat we steeds vaker zien, waarbij de teams meer vijanden maken dan vrienden, en waarbij ze de sympathie die de wederopbouwprojecten oroepen ondermijnen.

Toen Danny Hall en Gordon Phillips, de burgerlijke en militaire leiders van het Amerikaanse provinciale wederopbouwteam in de provincie Nangarhar, Afghanistan medio juni 2007 arriveerden voor een ontmoeting met Gul Agha Sherzai, de plaatselijke gouverneur, wisten ze dat ze heel wat uit te leggen hadden.

Philips moest uitleggen waarom een geheim Amerikaans militair 'capture/kill'-team onder de naam Task Force 373, op jacht naar Qari Ur-Rahman - een vermoedelijke Taliban-commandant met de codenaam "Carbon", steun van een AC-130 Spectre gunship had gevraagd, waarmee in het holst van de nacht zeven Afghaanse politiemensen waren gedood.

Het incident was een kleurrijke illustratie van de onderliggende botsing van twee verschillende doctrines in de oorlog van de VS in Afghanistan: 'counter-insurgency' ("het beschermen van de burgerbevolking") en 'counter-terrorism' (terroristen vermoorden). Hoewel president Obama en zijn medewerkers vooral in lovende woorden spreken over het eerste, is het laatste de drijvende krachten achter de oorlog in Afghanistan geweest, en zal dat in de toekomst ook blijven.

Voor Hall, een diplomaat op twee maanden van een plezierige opdracht in Londen, was samenwerken met het leger veel moeilijker geweest dan hij had verwacht. In een artikel in Foreign Service Journal, een paar maanden voor de ontmoeting met de gouverneur gepubliceerd, schreef hij: "Ik had het gevoel nooit echt goed te weten wat er gaande was, waar ik geacht werd te zijn, wat mijn rol was en of ik er wel een had. Ik sprak vooral geen van de twee talen die ik moest spreken: Pashtu en legertaal."

Voor Phillips was het niet minder lastig geweest. Nog geen maand eerder had hij persoonlijk 'solatia' betalingen - vergoedingen voor burgerdoden door Amerikaanse troepen - overhandigd in het bijzijn van gouverneur Sherzai, terwijl hij tegelijkertijd de aanslag van een zelfmoordcommando waardoor 19 burgers om het leven kwamen veroordeelde - een aanslag die de aanleiding was voor de Amerikaanse tegenactie die hij nu moest vergoeden.

"We komen hier als uw gasten," zei hij tegen de familieleden van de gedode burgers, "uitgenodigd om te helpen bij de wederopbouw en een verbeterde veiligheid voor Nangarhar, om jullie een beter leven en uw kinderen een betere toekomst te bezorgen. Als ik hier vandaag de slachtoffers en hun familie zie, rouw ik met u mee voor uw naasten."

Hall en Phillips hadden de leiding over 33 wederopbouwprojecten ter waarde van 11 miljoen dollar in Nangarhar: wegenbouw, schoolmaterialen en een landbouwproject. Maar de missie van hun door het leger geleide 'provinciale wederopbouwteam' (bestaande uit civiele experts, ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken en soldaten) bleek direct in conflict te komen met die van een 'capture/kill'-team van verschillende speciale eenheden (navy seals, army rangers en commandotroepen, samen met agenten van de CIA) wiens mandaat inhield dat ze van terrorisme verdachte Afghanen en verzetsleiders moesten vervolgen. Het team liet een spoor van dode burgers en verwijten na.

Details van enkele missies van Task Force 373 kwamen voor het eerst aan het licht door de 76.000 rapporten die door een klokkenluider werden gelekt aan Wikileaks, en door analyses van die documenten in Der Spiegel, de Guardian en de New York Times.

Een volledig verslag van de vernietigende werking van de task force zal nog een tijdje op zich laten wachten, omdat de regering van Barack Obama weigert commentaar te geven op de golf van moorden in Afghanistan en Pakistan. Door de WikiLeaks documenten, gerelateerde documenten uit Afghanistan en gedéclassificeerde documenten van de Special Forces door te spitten kan men echter wel een beknopte geschiedenis van de eenheid samenstellen.

De Wikileaks-documenten suggereren dat er 2.058 mensen op een speciale lijst met doelwitten staan. "Joint Prioritized Effects List" (JPEL) heet de lijst en alle mensen erop worden als 'capture/kill' doelwitten in Afghanistan beschouwd. In december 2009 werden er 757 mensen - waarschijnlijk van die lijst - vastgehouden in de gevangenis op de luchtmachtbasis Bagram.

Capture/kill operaties
Het idee van teams samengesteld uit verschillende delen van het leger en de CIA stamt al uit 1980, na de rampzalige Operatie Eagle Claw, waarbij leden van het leger, de luchtmacht en de marine probeerden gijzelaars uit de Amerikaanse ambassade in Teheran te bevrijden. Een commissie onder leiding van admiraal James L Holloway III deed de aanbeveling om een Joint Special Forces-staf op te richten en er zo voor te zorgen dat de verschillende takken van het leger en de CIA hun samenwerking beter konden voorbereiden.

Dat proces kwam in een stroomversnelling na 11 september 2001. Diezelfde maand reisde een CIA-team onder de naam Jawbreaker naar Afghanistan om de invasie van dat land voor te bereiden. Kort daarna deed een team commando's hetzelfde. Ondanks initiële rivaliteit slaagde men erin goed samen te werken.

Het eerste geheime samenwerkingsverband van de CIA en verschillende legereenheden in Afghanistan was Task Force 5, dat de opdracht kreeg 'high value targets' zoals Osama bin Laden, vooraanstaande leden van Al-Qaeda en Mullah Mohammed Omar, de leider van de Taliban te vermoorden. In Irak werd een soortgelijke sinistere eenheid, Task Force 20, opgezet. De twee eenheden gingen uiteindelijk op in Task Force 121, onder leiding van generaal John Abizaid, toen de baas van het Amerikaanse Central Command.

In een boek dat deze maand uitkomt, Operation Darkheart, beschrijft luitenant-kolonel Anthony Shaffer het werk van Task Force 121 in 2003, toen hij lid was van een team met de naam Jedi Knights. Werkend onder de schuilnaam majoor Christopher Stryker, leidde hij de operaties voor de Militaire Inlichtingendienst vanuit de luchtmachtbasis Bagram.

Op een avond in oktober werd Shaffer door een MH-47 Chinook-helikopter afgezet in een dorp in de buurt van Asadabad in de provincie Kunar om een samengesteld team van army rangers en de 10e Mountain Division te leiden. De missie was een luitenant van Gulbuddin Hekmatyar, een beruchte krijgsheer met banden met de Taliban, gevangen te nemen.

Het was niet gemakkelijk: "Ze slaagden erin de Taliban en hun veilige havens langs de grens met Pakistan in het hart te treffen. Even zag Shaffer hoe we de oorlog wonnen," zo lezen we in het promotiemateriaal voor het boek. "Dan begonnen de hoge pieten van het leger zich ermee te bemoeien. Hun werkwijze leek nergens op. Shaffer en zijn team waren gedwongen toe te kijken hoe het verzet groeide - net over de grens, in Pakistan."

Bijna een kwart eeuw na Operatie Eagle Claw beschrijft Shaffer, die lid was geweest van het Able Danger-team dat jacht had gemaakt op Al-Qaeda in de jaren '90, de bittere onderlinge strijd tussen de CIA en de Special Forces over hoe de geheime moordaanslagen in Afghanistan en Pakistan uitgevoerd moesten worden.

Task Force 373
We spoelen snel door naar 2007, en het moment dat Task Force 373 voor het eerste wordt genoemd in de documenten van Wikileaks. We weten niet of het nummer 373 iets te betekenen heeft, maar hoofdstuk 373 van de US Code 10, een wet waarmee het Amerikaanse congres omschrijft wat het Amerikaanse leger wettelijk is toegestaan en die de minister van Buitenlandse Zaken toestaat willekeurig welke "burgerlijke aangestelde" van het leger de macht te geven "gerechtelijke bevelen uit te voeren en arrestaties te verrichten zonder gerechtelijk bevel" inzake misdrijven.

Analisten stellen dat Task Force 373 een aanvulling is op Task Force 121 door het gebruik van 'reguliere troepen' als de Rangers en de commandotroepen, in tegenstelling tot de meer geheime Delta Force. Task Force 373 wordt verondersteld geleid te worden vanuit drie militaire bases - in Kaboel, Kandahar en Khost .

Het is mogelijk dat sommige operaties hun basis hebben in Camp Marmal, een Duitse basis in de noordelijke stad Mazar-e-Sharif. Bronnen die het programma kennen zeggen dat de task force zijn eigen helikopters en vliegtuigen heeft, waaronder de eerder genoemde AC-130 Spectre gunships, speciaal voor hen gereserveerd.

Brigade-generaal Raymond Palumbo lijkt de eenheid geleid te hebben vanuit het Special Operations Command in Fort Bragg, North Carolina. Palumbo verliet Fort Bragg echter half-juli, kort nadat generaal Stanley McChrystal door president Obama werd ontheven van zijn taak als bevelhebber van de oorlog in Afghanistan. Het is niet bekend wie er nu aan het hoofd van de task force staat.

In meer dan 100 rapporten in de Wikileaks-documenten wordt Task Force 373 genoemd vanwege het uitvoeren van een groot aantal 'capture/kill'-operaties, in de provincies Khost, Paktika Nangarhar, die allemaal grenzen aan het stammengebied in noord-west Pakistan. Sommige operaties zouden succesvol verlopen zijn, terwijl anderen leidden tot de dood van plaatselijke politie-agenten en zelfs kleine kinderen, waardoor boze dorpelingen protesteerden en NAVO-troepen aanvielen.

In april 2007, werd David Adams, hoofd van het wederopbouwteam in de provincie Khost, opgeroepen voor een ontmoeting met de dorpsoudsten van het dorp Gurbuz, die boos waren over een operatie van Task Force 373 in hun gemeenschap. Wat Task Force 373 precies gedaan heeft om de dorpsoudsten zo boos te maken wordt niet vermeld in het rapport van Wikileaks, maar de gouverneur van Khost, Arsala Jamal, protesteert al sinds december 2006, toen vijf burgers omkwamen bij een aanval op Darnami village, over de operaties van de Special Forces.

"Dit is ons land," zei hij toen. "Ik vraag met steeds meer nadruk om eens samen te zitten. Wij kennen onze Afghaanse broeders. Wij kennen onze cultuur beter. Met deze operaties maken we alleen maar meer vijanden. Wij kunnen het aantal fouten helpen beperken."

"Het toenemende aantal aanvallen op Afghaanse huizen zorgde ervoor dat veel van de dorpsoudsten in Khost van ons vervreemden," zo schreef Adams later in een column in de Wall Street Journal.

Op 12 juni 2007 werden Danny Hall and Gordon Philips bij Governor Sherzai geroepen om uit te leggen hoe Task Force 373 zeven Afghaanse politiemensen had gedood. Net als Jamal, drong ook Sherzai "er nadrukkelijk op aan de zaken beter te coördineren..." en stelde hij zeer duidelijk dat hij "dit niet nog eens wilde zien gebeuren".

Minder dan een week later vuurde een Task Force 373-team vijf raketten af op een kamp in Nangar Khel in de provincie Paktika, zuid-oostelijk van Khost, in een poging Abu Laith al-Libi, een Libanees die verdacht werd van lidmaatschap van Al Qaeda, te doden. Toen Amerikaanse troepen aankwamen in het dorp stelden ze vast dat ze een madrassa (een islamitische school) hadden getroffen, en dat daarbij zes kinderen om het leven waren gekomen en een zevende zeer zwaar gewond was geraakt, die later alsnog overleed.

Wordt vervolgd...

| Meer

Reageer en stem op

Lees ook: