Radioactiviteit als culinaire bestseller

18 november 2011
Door Arjan Plantinga

Voor de meeste mensen is de ramp in Japan van 11 maart 2011 volledig naar de achtergrond verdwenen. Niet dat ze het vergeten zijn, maar onze staatsmedia hebben het er niet meer over en dus is het voor het gros van de bevolking van geen enkele belang meer. Het verschijnt niet meer op hun radar, is achter de horizon gevallen. Begrijpelijk.

Ik volg het van tijd tot tijd op, zie dat de kerncentrale nog steeds hallucinante hoeveelheden radioactief materiaal staat te lekken in de atmosfeer, in de grond en in de oceaan, zie dat Tepco en de Japanse regering er alles aan doen om journalisten en experts die niet bij de opruimactiviteiten betrokken zijn op een afstand te houden, en om de schuldvraag steeds weer naast zich neer te leggen.

Dat de mens, of toch in ieder geval dat deel van de mensheid dat zichzelf belast heeft met het nemen van de belangrijkste beslissingen, een eindeloos achterlijk wezen is bewijzen de vele politieke en industriële leiders die pleiten voor nog meer kerncentrales. De Britten, de Fransen, de Russen de Iraniërs, de Chinezen en de Amerikanen: ze bouwen allemaal lustig voort. Ook de Nederlandse regering is nog steeds een warm pleitbezorger van kernenergie.

Het zou strafbaar moeten zijn, maar dat is het niet.

Ik kom hier weer eens op terug vanwege een ontmoeting in de tram, heden morgen. Het was zeer vroeg, donker nog toen tram 3 aan het Sportpaleis boven de grond kwam. Op station Sport was een man opgestapt, zonderlinge kerel, jaar of 60, 70, strak in het pak, maar voor het laatst naar de kapper geweest in 1968.

Hij zette zich tegenover mij en zei: "Gij bent toch die kerel van den Zonnewind". Ik kon het alleen maar beamen. Had hem nog nooit gezien. Zou dat wel hebben onthouden.

Hij keek me doordringend aan met - hoe vreemd - zwarte ogen.

"Awel, gast, ik zal u eens iets vertellen," zei hij met een dik Antwaarps accent, Maarksums.

"Er wordt veel gesproken en geschreven over aliens en UFO's, over buitenaardse wezens. Dat ze komen. Hoe ze komen. Wanneer ze komen. Maar ze zijn hier al! Ze zijn hier al duizenden jaren. Hoe lang al? Da'k 't nie weet gast. Ze zijn hier gekomen om ons over te nemen, om ons in te pakken en mee te nemen naar hun eigen planeet."

Ik knikte: "Maar natuurlijk...."

"We zien ze niet. Ze zijn nog nooit gezien. Vergeet al die mooie verhaaltjes oep den email. Dat zijn ze niet. Dat zijn rare verhaaltjes die ze verspreiden om de aandacht af te leiden. Echte aliens kunnen we niet zien vliegen, want ze zijn onzichtbaar. Die die hun schepen beschrijven als lichtjes in de lucht zijn zot he gast. Dat zijn die van ons! Hun schepen hebben geen lichtjes. Je kunt ze wel zien, maar dan als donkere vlekken die enorm snel voorbij schieten. Bijna onmogelijk, maar wie oplet kan ze zien. Donkere vlekken. Zo van 'huh, wa was da?!', en ze zijn alweer een lichtjaar verder."

Ik zal wel wat verbaasd hebben gekeken, maar wilde de rest natuurlijk horen.

De man boog zich nu voorover, en zei, wat zachter nu: "Ze zijn hier gekomen om ons te oogsten. Ze vreten ons oep! Zo hebben ze honderden planeten. Steeds vliegen ze als mieren achter de bladluizen heen en weer van planeet tot planeet, om te kijken of de kudde het goed doet. Of er alweer geoogst kan worden. Maar wij mensen vormen voor hen een probleem. We zijn moeilijk verteerbaar. Iets met verkeerde isotopen. Kweetet ook niet precies. Het zijn dan wel heel slimme wezentjes, maar almachtig zijn ze ook niet. En ze zijn maar klein heh. Niet groter dan een luciferdoosje. Ze kunnen ons fysiek niet aan. Hun wapens zijn geavanceerd, maar veel te klein om een mens meer dan wat lichte jeuk in de nek of op het achterhoofd te bezorgen. Door onze kleding geraken ze niet."

- Maar hoe weet u dat allemaal, vroeg ik hem.

"Ik heb er ooit een weten vangen. Die was in mijn aquarium gevallen en raakte er niet meer uit. Ik heb hem eerst wat laten zwemmen en spartelen en hem dan in een vogelkooitje gezet. Hij zong niet. Zat bedroefd op een stokje. Een sponsachtig wezentje met vier beentjes en twee armpjes, geen zichtbare hals, maar hij kon zijn hoofdje wel draaien. Ik heb hem Dirk genoemd. Hij piepte en brabbelde soms wat, maar ik verstond er niets van. Hij leek wel honger te hebben, deed zich te goed aan de schelpenvulling op de bodem van de kooi. Daar knapte hij zichtbaar van op."

"Enfin, om een lang verhaal kort te maken. Ik ben hem blijven voeren en hij is een jaar bij me gebleven. Ik heb hem Nederlands geleerd. Van zijn taal begreep ik niets. Zijn planeet was eindeloos ver hiervandaan, naar onze maatstaven, maar ze konden zonder tijdverlies ons hele heelal doorreizen, door gewoon de stekker er even uit te trekken."

- De stekker? Welke stekker?

"Ah ja, de stekker van het heelal, he gast. De rest van het heelal merkte daar niet van. Hun stroom gaat ook uit, een beetje gelijk de pauzeknop op de TV. Ook de tijd stopte als ze de stekker eruit trekken, behalve voor degene die de stekker eruit trok. Ruimte betekent niets meer als de stekker eruit is. Nu ja, zo heb ik het toch begrepen. Zo kunnen ze in geen tijd naar elke uithoek van het heelal reizen, de stekker er weer in steken, en het hele heelal deed weer voort of de stekker er nooit uit was geweest."

De tram hobbelde over de troosteloze Bredabaan.

"Maar het zijn vleeseters. Hun eigen planeet hebben ze al lang geleden leeggevreten, waren al een hele tijd op zoek naar nieuwe voedselbronnen. De Aarde hadden ze snel gevonden, zei Dirkie, want die stonk een lichtjaar in de wind. Zijn soortgenoten komen vanwege die stank niet zo graag naar hier. 'Er zijn veel leukere plaatsen,' zei Dirkie vaak."

"Maar wij mensen zijn voor hun dus niet verteerbaar. Maagklachten, diarree krijgen ze van ons. Niet gewoon! Dirkie en zijn team werden belast met het zoeken naar middelen om de mensen op de een of andere manier zo te bereiden dat zijn soortgenoten geen indigestie meer van ons zouden krijgen."

"Lang hebben ze gezocht. Zeer lang. Andere genen toegevoegd, in water laten weken tot het haar eraf viel, veertig jaar in de woestijn laten bakken, gebalsemd, verbrand, gerookt en gekuild. 'Steeds weer die racekak man,' zei Dirkie. Ze hebben er van alles in gestopt en op gesmeerd, mosterd toegevoegd, virussen en bacteriën het vuile werk laten opknappen, wormen, schimmels, een houdbaarheidsdatum ingevoerd. "Steeds weer racekak' Dat vond Dirkie een mooi woord: 'racekak'."

"Honderd jaar geleden dan de doorbraak, zei Dirkie. Radioactieve straling! Met dank aan Madame Curie. Zelf waren ze er nooit opgekomen. Radioactiviteit is voor Dirkies onbeduidend en ongevaarlijk, gelijk CO² voor ons. Het smaakt naar niets, ruikt naar niets, doet niets en brengt niets voort. De radioactieve straling tast de celstructuur van mensen echter op zo'n manier aan dat mensen voor Dirkies verteerbaar en zelfs zeer smakelijk worden. Ze hebben dan wat tests gedaan in de woestijn en op een aantal eilandjes in de Stille Zuidzee. Dirkies verslag van de resultaten werd een culinaire bestseller op zijn planeet, zo vertelde hij met enige trots."

- ...

"Op 12 maart heb ik hem laten gaan, nadat hij me verteld had hoe ik de werking van de radioactiviteit ongedaan kon maken."

De tram was aan het eindpunt.

De man stapte uit, liep richting Carrefour.

Ik bleef nog even zitten.

© Arjan Plantinga
Alle rechten voorbehouden

Lees ook:

 

privacybeleid