De Franse AMAP
Een gemeenschapsgedragen, autonome, levensvatbare en lokale
landbouw in de 21ste eeuw
25 oktober 2011
Door Filip Martens
AMAP staat voor Association pour le Maintien dune
Agriculture Paysanne. De lokale AMAPs vormen in Frankrijk
een netwerk dat de kleinschalige, familiale boerenlandbouw
ondersteunt. De eerste AMAP werd in 2001 opgericht in de buurt
van het Provencaalse Toulon. Vandaag zijn ca. 200.000 Fransen
aangesloten, vooral in grootsteden als Lyon, Marseille, Nice
en Parijs. Daarnaast bestaan er diverse gelijkaardige initiatieven
in België, Denemarken, Duitsland, Groot-Brittannië,
Italië, Nederland, Portugal, Zwitserland, Japan, Canada,
de VS, ...
Wat is AMAP?
AMAP wil de producenten en consumenten van voedsel terug met
elkaar in contact brengen. Dit netwerk helpt de lokale boeren
bij de distributie en leert de consumenten terug aan te knopen
met de seizoensgebondenheid en de rijke diversiteit van groenten
en fruit. AMAP organiseert ook vele bijeenkomsten en bedrijfsbezoeken
om de participerende consumenten de oorsprong van hun voedsel
te leren kennen. De aangesloten landbouwers zijn vragende
partij voor een nauwere band met de verbruikers van het door
hen geproduceerde voedsel. Verbondenheid en vertrouwen tussen
producent en consument staat voorop bij AMAP.
Deze op solidariteit gebaseerde, lokale gemeenschapsorganisaties
van boeren en bevolking verbinden de mensen opnieuw met de
akkers waarop hun voedsel geteeld wordt. De opkomst van onder
meer Teikei in Japan, Community Supported Agriculture in de
VS, Engelstalig Canada en Groot- Brittannië, Agriculture
Soutenue par la Communauté in Franstalig Canada, AMAP
in Frankrijk, GASAP en GAC in Franstalig België, Gruppi
di Acquisto Solidale in Italië en RECIPROCO in Portugal
is een reactie van boeren en consumenten op de globalisering.
Deze netwerken ondersteunen organische familiale landbouwbedrijven
en lokale voedseldistributiesystemen: de consumenten krijgen
door directe en vertrouwelijke relaties met boeren vers en
gezond voedsel tegen een normale prijs, terwijl de boer een
degelijk inkomen verwerft. Daarnaast wordt ook aandacht besteed
aan ecologie en het beperken van nutteloos vervoer bij de
voedseldistributie. Aldus ontstond een én duurzame
én levensvatbare landbouw. Een AMAP-project heeft bovendien
het voordeel dat niet noodzakelijk een grote oppervlakte nodig
is: 1 à 2 hectare volstaat reeds om een boerengezin
een volwaardig inkomen te bezorgen en 100 à 200 gezinnen
te voeden.
AMAP draagt de diversiteit van het geleverde voedsel hoog
in het vaandel, omdat de boeren zo enerzijds een brede variëteit
aan gewassen kunnen telen gedurende het hele seizoen en anderzijds
tegenvallende oogsten door slechte weersomstandigheden kunnen
beperken. In tegenstelling tot de grootwarenhuizen hechten
AMAP-consumenten minder belang aan gestandaardiseerd voedsel:
álles wat geproduceerd wordt, wordt ook verbruikt!
Er worden dus geen grote hoeveelheden voedsel als onverkoopbaar
verklaard en vernietigd zoals in de gangbare landbouw en voedseldistributie.
De consumenten en boeren in iedere AMAP-groep komen ook overeen
welke teeltwijzen gebruikt zullen worden. De boeren inspireren
zich op het Charter der Boerenlandbouw, het Charter van AMAP
en de voorschriften der duurzame landbouw. De AMAP-deelnemers
streven naar gezond voedsel met respect voor de mens, de biodiversiteit
en de natuur. AMAP beperkt op die manier de vervuiling en
de risicos van de industriële landbouw. De kans
dat de volledige oogst mislukt, is bovendien minimaal omdat
het risico verdeeld wordt over vele gewassen: elk jaar zijn
er welke enkele gewassen die wat minder geslaagd zijn, maar
de leden begrijpen dat omdat ze er zo nauw bij betrokken zijn.
Bij gemeenschapsgedragen autonome landbouw dient minstens
duurzame landbouw toegepast te worden. Hiermee wordt een landbouw
bedoeld die voorziet in de behoeften der huidige generaties
zónder de behoeften der toekomstige generaties in gevaar
te brengen. Duurzame landbouw heeft 3 basisprincipes: ecologie,
economie en solidariteit. Het ecologische basisprincipe behelst
dat landbouw geen gevaar vormt voor het ecosysteem: enerzijds
dienen hormonen, krachtvoer en pesticiden zoveel mogelijk
vermeden te worden en anderzijds dienen biodiversiteit (door
een voldoende grote teeltrotatie en de teelt van meerdere
gewassen) en dierenwelzijn (door een verantwoorde omgang met
dieren) gestimuleerd te worden. Het economische basisprincipe
betekent dat de boeren voldoende voedsel produceren en daarvoor
een behoorlijke prijs krijgen. Het sociale basisprincipe houdt
in dat landbouw onze voedselvoorziening dus
een belangrijke plaats inneemt in de maatschappij en de boeren
een leefbaar bestaan hebben.
Duurzame landbouw betekent echter niet automatisch biologische
of biologisch-dynamische landbouw! Biologische landbouw past
de principes der duurzame landbouw toe, maar gebruikt bovendien
geen krachtvoer, kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen
en focust op bodemvruchtbaarheid door het telen van meerdere
gewassen. Biologisch-dynamische landbouw koppelt daar ook
nog een filosofie aan.
AMAP-consumenten worden meer actief betrokken bij het teelt-
en distributieproces via boerderijbezoeken, ledenwerkdagen,
websites, een jaarlijks oogstfeest, het op voorhand betalen
van hun deel van de oogst, het ophalen van hun wekelijkse
voedselmand en nieuwsbrieven & recepten (elektronisch
en/of in de wekelijkse voedselmand). Een voordeel van de directe
distributie en van de nauwe band tussen boer en consument
is dat het voedsel zeer vers is, omdat het niet over grote
afstanden getransporteerd wordt. Na verloop van tijd leren
consumenten de boer die hun voedsel produceert goed kennen,
evenals de gebruikte productiemethodes.
Ontstaan van AMAP
Het verdwijnen van de kleinschalige landbouw in de afgelopen
halve eeuw is voor politici, economisten en intellectuelen
nooit belangrijk geweest. Hoogstens wordt omtrent deze problematiek
schamper verwezen naar een vermeend gebrek aan (agro-industriële)
investeringen, terwijl net die kapitaalintensieve investeringen
dé oorzaak zijn van de teloorgang van de kleinschalige
landbouw! Op de puinhopen van deze vernietigde agrarische
wereld bouwden financiers en industriëlen een nieuwe,
moderne landbouw van massaproductie tegen lachwekkend
lage prijzen voor de boeren. Hierdoor werd de afzet van het
door hen geproduceerde voedsel de voornaamste zorg van alle
boeren.
De verre oorsprong van AMAP ligt bij de Japanse Teikei, die
in de jaren 1960 ontstonden. Vanwege ernstige voedselproblemen
(onder meer de voedselramp van Minamata in 1957 door zware
metalen in vis en de sterke stijging van de hoeveelheid geïmporteerd
voedsel), de verstedelijking van het platteland en de grote
migratie van boeren naar de steden maakten Japanse moeders
zich toen zorgen over de negatieve gevolgen van de industriële
landbouw voor de voedselveiligheid. Zij vormden in 1965 de
groepering Teikei die aanvankelijk alleen zuivelproducten
betrof.
Teikei betekent letterlijk samenwerking,
maar heeft hier de figuurlijke betekenis van voedsel
waarop het gezicht van de boer is afgebeeld. De Teikeis
gingen een contract aan met boeren: in ruil voor een op voorhand
zekere afname van hun hele productie zouden de boeren produceren
zonder chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Dit alternatieve
productie- en distributiesysteem was zo tevens onafhankelijk
van de kapitalistische markt. Teikei berust op een dynamische
filosofie waarbij mensen streven naar een betere manier van
leven door de interactie tussen boeren en consumenten. Daar
er vele Teikeis ontstonden, werd in 1971 de koepelorganisatie
Japanse Vereniging voor Organische Landbouw gesticht.
Vandaag is 1 op 4 Japanse gezinnen lid van een Teikei.
In Chili stichtte Walter Sommerholf tijdens de regering-Allende
(1970-1973) gelijkaardige initiatieven, maar het is niet duidelijk
of hij kennis had van het Teikei-fenomeen in Japan. Europese
bezoekers leerden in Chili deze gemeenschapsgedragen autonome
landbouw kennen. In Europa vermengde dit zich in de jaren
1970 met de ideeën van de Oostenrijkse filosoof Rudolf
Steiner (1861-1925) over biologisch-dynamische landbouw, de
Belgisch-Duitse financiële theoreticus Silvio Gesell
(1862-1930) over een vrije economie en de Duitse katholieke
economist Ernst Friedrich Schumacher1 (1911-1977) over een
alternatieve economie waarbij producent en verbruikers geografisch
in mekaars nabijheid woonden. Ook de Bretoense boerenbeweging
was een inspiratiebron. Onder impuls van Jan Vander Tuin
die in Genève de eerste voedselgilde stichtte
ontstonden zo experimenten in Denemarken, Duitsland,
Zwitserland en Oostenrijk. Ook in de jaren 1970 studeerde
de Amerikaan Andrew Lorand landbouwkunde in Zwitserland, waarbij
hij stage liep op een biologisch-dynamische boerderij in het
Juragebergte. Na het behalen van dit diploma in 1978 studeerde
Lorand nog politieke wetenschappen en taalkunde in Duitsland
en de VS, waarna hij in de VS doctoreerde in de biologisch-dynamische
landbouw.
In 1984 werd dit autonome economische systeem door Vander
Tuin vanuit Zwitserland en door Trauger Groh vanuit Duitsland
ingevoerd in respectievelijk de Amerikaanse deelstaten Massachusetts
en New Hampshire, terwijl ook in Californië een gelijkaardig
project ontstond. In Massachusetts gaf de pionierster Robyn
Van En dit de naam Community Supported Agriculture
(CSA). Dr. Andrew Lorand hielp Vander Tuin en Van En bij het
ontwikkelen van hun ideeën. Later hielp Lorand andere
CSAs oprichten in Connecticut, Maryland, Pennsylvania
en Europa (onder meer in Nederland, cfr. infra). Tijdens zijn
academische carrière verleende hij internationaal steun
bij het stichten van de eerste volwaardige universitaire opleidingen
in biologisch-dynamische landbouw. CSA verspreidde zich door
mond-aan-mond-reclame snel over de hele VS en Canada om vandaar
opnieuw de Atlantische Oceaan over te steken naar Groot-Brittannië.
In Noord-Amerika bestaan er heden 13.000 CSAs en in
Groot-Brittannië 1.000.
In 2001 leerden de Provencaalse groententeler Daniël
Vuillon en zijn vrouw tijdens een reis naar New York de CSA
van Manhattan kennen. Dit leidde er toe dat de Vuillons in
de streek van Toulon de eerste Franse AMAP opstartten. AMAP
wou zich nadrukkelijk onderscheiden van andere agrarische
initiatieven en bijdragen aan een lokale economie. Zo kon
het boerengezin Vuillon overleven terwijl vele duizenden andere
kleine Provencaalse landbouwers hun activiteiten stopzetten.
AMAP was meteen een groot succes en groeide uit tot een mediafenomeen.
Heden bestaan er 1.200 AMAPs in Frankrijk, vooral in de regios
Île-de-France, Midi-Pyrénées, Poitou-Charentes,
Provence- Alpes-Côte dAzur en Rhône-Alpes.
Maar AMAP is in elke Franse regio aanwezig. Nadat oorspronkelijk
het regionale netwerk Réseau AMAP gevormd werd, werd
in februari 2010 MIRAMAP (Mouvement Inter- Régional
des AMAP) als nationale boeren- en consumentenorganisatie
opgericht om de samenhang tussen de AMAPs te versterken door
het vormen van een gemeenschappelijke ethiek (vastgelegd in
het Charter van AMAP), het uitwisselen van ervaring en het
promoten van een sociaal stabiele en ecologische boerenlandbouw
op nationaal niveau. Ook vandaag blijft het fenomeen zich
verder verspreiden naar België (cfr. infra), Hongarije,
Nederland (cfr. infra), Portugal, Ghana, Italië, Australië
en Nieuw-Zeeland.
Organisatie van een AMAP
Consumenten kunnen toetreden tot een lokale AMAP via een contract
voor 3 of 6 maanden, waarbinnen ze kunnen kiezen voor diverse
mogelijkheden, bijvoorbeeld een wekelijkse groenten- en fruitmand
van 10 à 15 euro. De aldus aangesloten AMAP-consumenten
halen dan iedere week hun vers geoogste seizoensgroenten en
seizoensfruit af op een afgesproken plaats en tijdstip. Dit
voedsel is bovendien geteeld zonder kunstmest en chemische
bestrijdingsmiddelen. De AMAP-boeren zijn daarom vaak (maar
niet altijd) biologische boeren. De consumenten krijgen zo
een gevarieerde voeding én groenten- en fruitsoorten
die ze anders zelden of nooit zouden eten. Er bestaan ook
formules met vlees, kaas, eieren,
De prijs van de wekelijkse voedselmand in de praktijk
meestal een stevige bak of tas is billijk: het laat
de boer toe om zijn productiekosten te dekken en om een degelijk
inkomen te verwerven, terwijl het tevens aanvaardbaar is voor
de consument. De prijs is vergelijkbaar met een gelijkaardige
hoeveelheid voedsel in de supermarkt, maar dit voedsel heeft
een veel betere smaak en voedingskwaliteit. Een dergelijke
prijs is mogelijk omdat er geen voedsel vernietigd wordt,
er slechts een minimale verpakking gebruikt wordt en er geen
tussenpersonen zijn tussen boer en consumenten. De consumenten
betalen op voorhand, wat de boer bevrijdt van verkoopszorgen
én verzekert van een gegarandeerd inkomen. Dankzij
deze financiële stabiliteit kan hij volop focussen op
het tevredenstellen der consumenten, op de bodemvruchtbaarheid
en op een variëteit aan kwalitatieve planten- en diersoorten.
Om de deelname van iedereen óók consumenten
met een laag inkomen in AMAP mogelijk te maken bestaan
er diverse mogelijkheden, zoals een maandelijkse betaling
of een lagere prijs voor de voedselmand in ruil voor hulp
bij de distributie. AMAP-boerderijen zijn typisch kleine,
marktonafhankelijke en arbeidsintensieve familiale boerderijen.
Opdat de boer zich volledig zou kunnen focussen op de kwaliteit
van zijn producten, draait de organiserende AMAP zelf op een
vrijwilligerscomité van AMAP-consumenten. Dit omvat
een voorzitter, een penningmeester, een communicatieverantwoordelijke
en 2 coördinatoren. Deze functies worden ieder productieseizoen
hernieuwd. Dit comité verzekert de band tussen boer
en consumenten door communicatie, informatieverstrekking,
aanbrengen van nieuwe consumenten, organisatie der distributie,
De AMAP participeert voorts ook in het ondersteunen
van lokale landbouw, het beperken van de druklast op de grond
en het op peil houden van de bodemvruchtbaarheid.
Naast bedrijfsbezoeken, ledenwerkdagen en bijeenkomsten zijn
nieuwsbrieven en recepten elektronisch of bij de wekelijkse
voedselmand de belangrijkste communicatiewijze. De
nieuwsbrieven informeren de consumenten over de boer en de
dieren en werknemers op de boerderij en bevatten politiek-filosofische
teksten over duurzame landbouw, het plattelandsleven en de
AMAPgemeenschap. De recepten suggereren de leden voedselbereidingen
met de voedingsmiddelen van die week.
De plaats van distributie kan de boerderij zelf zijn als
de consumenten van de AMAP in de omgeving wonen, maar kan
ook een plaats in de stad zijn (wijkzalen, natuurvoedingswinkels,
een binnenplaats,
). Vooral in Noord-Amerika wonen veel
CSA- en ASC-consumenten in steden, waardoor de wekelijkse
levering per bestelwagen naar een losplaats in de stad
meestal bij een lid thuis gebracht wordt. Sommige boerderijen
produceren uitsluitend voor hun AMAP, terwijl andere ook verkopen
via een boerderijwinkel, boerenmarkten, kruidenierswinkels,
natuurvoedingswinkels, restaurants en andere verkoopkanalen.
De aanvaarding van het Charter van AMAP biedt de leden de
voordelen van het AMAP-netwerk, zoals het gebruik van de naam
AMAP (die gedeponeerd werd als handelsmerk) en
technische steun bij de oprichting van een nieuwe AMAP. Bij
sommige AMAPs wordt de consumenten ook de mogelijkheid geboden
om mee te werken of om aandelen in de boerderij te verwerven.
Door dit partnerschap tussen boeren en consumenten promoot
AMAP sociale dialoog tussen stad en platteland. Een voedsel'mand'.
In sommige gevallen organiseerden consumenten zelf een AMAP,
waarbij ze akkerland pachtten en een boer inhuurden.
De verplichtingen der AMAP-consumenten De consument verplicht
zich vooreerst tot het op voorhand betalen van zijn deel van
de oogst en aanvaardt ook de risicos en voordelen van
de boerderij in het komende seizoen. Daarnaast moet hij zijn
voedselmand komen afhalen op de afgesproken plaats, dag en
uur, maar er kan een regeling overeengekomen worden als de
consument verhinderd is (ziek, vakantie,
). De consument
communiceert bovendien in alle openheid zijn positieve bemerkingen,
vragen en ontevredenheid direct naar de boer en de coördinator,
zodat gezamenlijk kan gezocht worden naar verklaringen of
verbeteringen. Verder deelt de consument ideeën om het
project te verbeteren met de boer en de andere consumenten.
Volgens consumentonderzoek van de gelijkaardige Amerikaanse
Community Supported Agriculture zijn er 2 hoofdredenen waarom
consumenten participeren: primo gezondheid & welzijn (door
het eten van vers, seizoensgebonden, biologisch en divers
voedsel en door het ontwikkelen van een band met de natuur)
en secundo persoonlijke actie (door het direct ondersteunen
van een lokale boer ontstaan banden tussen stad en platteland).
Economische redenen kwaliteitsproducten aan een aanvaardbare
prijs lijken niet tot de hoofdredenen te behoren. De
consument is dus bewust van de relatie tussen voeding en gezondheid,
streeft naar een band met de natuur, wil deel uitmaken van
een rond de boerderij geconcentreerde gemeenschap en aanvaardt
de bijhorende verplichtingen (langdurig engagement van minstens
enkele maanden, vastgelegd leveringstijdstip, op voorhand
gekozen producten,
). Overigens bleken vele consumenten
het feit dat producten vóór het seizoen dienen
gekozen te worden (en níet tijdens de distributie)
als een voordeel te beschouwen: ze moeten zo namelijk niet
meer iedere week nadenken over hun aankopen en bovendien ontdekken
ze zo soms nieuwe voedselproducten.
De verplichtingen der AMAP-producenten Waar de meeste gangbare
boeren slechts een beperkt aantal gewassen telen, is de AMAP-boer
verplicht om een diversiteit aan voedsel te telen om per seizoen
verschillende soorten voedselmanden te kunnen samenstellen.
De meeste AMAP-boeren telen over een heel jaar 50 à
70 verschillende gewassen, wat een uitstekende vakkennis en
een ingewikkeld teeltplan vereist. De AMAP-boer geeft 6 à
10 verschillende voedselproducten mee in de wekelijkse voedselmand,
die overeenkomt met wat een gemiddeld gezin van 2 volwassenen
en 2 kinderen wekelijks eet. Dit omvat aardappelen, groenten,
kruiden en fruit en soms ook vlees, zuivelproducten en honing.
Verder levert de AMAP-boer zijn producten op de afgesproken
dag en uur en informeert hij de consumenten ingeval uitzonderlijke
problemen de levering in gevaar zouden kunnen brengen (slechte
weersomstandigheden, ziekte,
). Tevens informeert de
boer de AMAP-consumenten over zijn teeltwijze en zorgt hij
voor een algemene beoordeling op het einde van het seizoen.
Hij houdt ook rekening met hun bemerkingen en noden en verklaart
tevens waarom hij eventueel niet aan een verzoek kan voldoen.
Uit studies en observaties in Noord-Amerika blijkt dat boeren
voornamelijk om 2 redenen deelnemen: primo financiële
zekerheid (doordat hun producten op voorhand al verkocht zijn)
en secundo de sociale meerwaarde (de boer werkt voor een groep
mensen die hij kent en waarmee hij regelmatig contact heeft).
De koepelorganisatie URGENCI
CSA-pionierster Robyn Van En op het lokale bankbiljet van
10 BerkShares uit de regio Berkshires in Massachusetts (VS).
Om de verschillende gelijkaardige nationale netwerken samen
te brengen richtten Teikei (Japan), CSA (VS, Engelstalig Canada
en Groot-Brittannië), ASC (Franstalig Canada) en AMAP
(Frankrijk) in 2004 de internationale koepelorganisatie URGENCI
op. Later traden nog onder meer het Brusselse GASAP (cfr.
infra), de Italiaanse Gruppi di Acquisto Solidale en het Portugese
RECIPROCO toe. URGENCI promoot een alternatieve economie van
lokale, solidaire partnerschappen tussen boeren en consumenten.
Het hoofddoel is het bevorderen van de relaties tussen lokale
partnerschappen van boeren en consumenten, systemen van directe
distributie, lokale overheden en agrarische organisaties.
Zo wil URGENCI de kleinschalige, duurzame, familiale landbouw
redden en verder uitbouwen, evenals lokale voedselautarkie
bewerkstelligen. Deze gemeenschapsopbouwende agrarische initiatieven
ziet URGENCI als een oplossing voor de problemen met de geglobaliseerde
intensieve landbouw en voedseldistributie. De meedogenloze
internationale markt verdreef immers al miljoenen boeren van
hun land.
De hoofdzetel van URGENCI is gevestigd in de Provencaalse
stad Aubagne, waar de lokale overheid sterk bekommerd is om
gelijkaardige doelstellingen. Zo werd akkerland beschermd
tegen de dreiging van bouwpromotors en vastgoedmaatschappijen,
waardoor groen een belangrijk onderdeel bleef van het landschap.
Aubagne hielp ook jonge boeren om aan kleinschalige boerderijen
te geraken. De door een gemeenschap ondersteunde landbouw
van AMAP is hier dan ook springlevend. Het belang van deze
ondersteuning mag niet worden onderschat, omdat alleen door
een gezamenlijke en brede benadering van overheden, boeren
en consumenten het AMAP-systeem zich ten volle kan ontwikkelen.
Immers, als de overheid lokale landbouw actief promoot bij
de consumenten, zullen boeren sneller starten met hoeveverkoop
en zelfverwerking.
Versnipperde initiatieven in Franstalig België: GAC,
GASAP en AMAP
In Wallonië verenigen boeren en consumenten zich in Groupements
dAchats Communs (GAC). In sommige gevallen ontstonden
er zelfs coöperaties en vzws die financiële
middelen verzamelden voor de aankoop van grond die daarna
verpacht wordt aan een boer, zoals de coöperatie Terre
de la Baillerie of de vzw À coup de Pousses. Hoewel
de eerste GAC reeds in 1987 ontstond in Seraing (nabij Luik),
kreeg het GAC-concept pas vanaf 2004 echt de wind in de zeilen.
Het aantal GACs is moeilijk in te schatten, daar ze niet in
één netwerk verenigd zijn. Een 50-tal GACS ressorteert
wel onder Saveurs Paysannes, een netwerk van boeren, restauranthouders,
verbruikers en winkels dat directe distributie promoot. Tientallen
andere GACs ressorteren onder de beweging voor biologische
landbouw Nature et Progrès. Er wordt geschat dat er
in totaal ca. 105 GACs zijn in Wallonië.
De GACs zijn sterk gelijkaardig aan de AMAPs, maar beperken
hun ledenaantal tot 20 à 30 gezinnen om de groep goed
in de hand te kunnen houden. Als een GAC groter wordt dan
30 gezinnen, probeert men die te splitsen in 2 GACs van elk
15 gezinnen. Hoewel een GAC draait rond gezonde voeding, sluit
men zich vooral aan vanwege de sociale relaties en de gezelligheid
die er ontstaan via activiteiten, gesprekken, uitwisselingen,
De GACs verkopen hun producten onder meer als groentepakketten
via directe distributie. Een GAC koopt bij 1 of meerdere boeren
voedingsproducten aan en verdeelt die vanuit een eigen lokaal.
In dit lokaal worden ook bijeenkomsten gehouden.
In Brussel ontstonden de Groupes dAchat Solidaires
de lAgriculture Paysanne (GASAP) als equivalent van
AMAP. De eerste 3 GASAPs werden in 2006 opgericht in de gemeenten
Elsene, Schaarbeek en Sint-Gillis. Er vormde zich een GASAP-netwerk
dat in 2011 al een 40-tal GASAPs telde, die ongeveer 800 Brusselse
gezinnen bevoorraden. Toch functioneren in Brussel ook een
aantal GASAPs los van dit netwerk. AMAP-stichter Daniël
Vuillon en zijn vrouw Denise. Ook de GASAPs zijn analoog aan
de AMAPs, maar kennen in tegenstelling tot de AMAPs alléén
jaarcontracten (dus geen contracten voor 3 of 6 maanden zoals
bij AMAP) en tevens wordt het aantal deelnemers per GASAP
beperkt tot ongeveer 20 gezinnen (om een zekere gezelligheid
en efficiëntie te handhaven).
Volgens een studie van het Belgische onderzoekscentrum OIVO-CRIOC
uit juni 2010 kende reeds 11% der Franstalige consumenten
de concepten GAC en GASAP. De gemeenschapsgedragen autonome
landbouw is dus in Franstalig België al enigszins bekend
en is bovendien in volle expansie. Belangrijk is echter dat
de Franstalige en Nederlandstalige projecten in België
samenkomen om te streven naar een gezamenlijk beleid op nationaal
en Europees vlak.
In 2011 stichtten diverse leden van de GAC der Brabantse
stad Louvain-la-Neuve samen met een lokale groententeler de
AMAP Helia, het eerste Belgische partnerschap dat ook de benaming
AMAP aannam. De betrokken boer produceert biologisch
en werkt met paardentractie om het verdichten van de bodem
te voorkomen. De AMAP Helia kent met meer dan 100 groentensoorten
een zeer gevarieerd aanbod, wat voor een extra grote smaken-
en kleurenrijkdom zorgt. Het productieseizoen loopt van april
tot december en telt 40 weken. De wekelijkse bak groenten
bevat 6 à 10 verschillende soorten groenten. De prijzen
bedragen 20 euro per week voor een grote bak groenten of 13
euro voor een kleine bak groenten.
CSA in Nederlandstalig België In Nederlandstalig België
ontstond in 2007 een eerste gelijkaardig initiatief met Het
Open Veld in Leuven, dat na 2 jaar al 125 leden telde én
nog eens 70 geïnteresseerde consumenten op een wachtlijst
moest plaatsen! In 2009 volgde Het Wijveld in Destelbergen
(nabij Gent) en werd het netwerk CSAVlaanderen opgericht om
de informatie-uitwisseling tussen boeren te stimuleren en
nieuwe initiatieven van boeren en verbruikers te ondersteunen.
In 2010 ontstonden 6 nieuwe projecten in Deinze, Kalken, Sint-Katelijne-Waver,
Sint-Truiden, Schelle en Zutendaal. In 2011 volgden nabij
Leuven nog 2 initiatieven: in Bierbeek en Lubbeek.
Markant is wel dat de initiatieven in Nederlandstalig België
niet voor een eigen, originele benaming kozen zoals overal
ter wereld, maar de obligate Amerikaanse benaming CSA
kopieerden. Deze Engelstalige term wekt immers enige bevreemding
op, maar er kan vooral ook verkeerdelijk uit afgeleid worden
dat deze gemeenschapsgedragen landbouw uit de VS afkomstig
lijkt, terwijl de oorsprong ervan zich eigenlijk in Japan
en Duitstalig Europa situeert! Vermoedelijk werd deze verwarring
veroorzaakt door de bekende Amerikaanse film The real
dirt on farmer John uit 2005 over John Petersons CSA
Angelic Organics in Illinois, die meer dan 1.400
gezinnen voedt en daarmee een der grootste Amerikaanse CSAs
is.
De CSAs in Nederlandstalig België hebben een gelijkaardige
werking als AMAP, waarbij de boer op voorhand betaald wordt
voor zijn oogst. CSA-boeren zijn daardoor de enige boeren
in Nederlandstalig België die al in april zeker weten
hoeveel ze dat jaar gaan verdienen. Daarnaast worden ook andere
aspecten van de boerderij gedeeld met de consumenten. De boer
kan bijvoorbeeld een maandelijkse ledenwerkdag organiseren
voor de consumenten of de consumenten kunnen de boer een renteloze
lening geven voor investeringen of verwerving van grond.
Verder experimenteren de CSAs met teelttechnieken,
diverse groentensoorten, andere bemestingswijzen en paardentractie.
Deze samenhangende gemeenschappen organiseren activiteiten,
wisselen recepten uit, creëren opnieuw een gevoel van
verbondenheid tussen mensen,
De leden zijn erg betrokken
bij de boerderij, wat tot een verantwoordelijkheidsgevoel
leidt. Afspraken tussen boer en consumenten worden dan ook
nauwgezet nageleefd. Vanwege de sterke publieksinteresse zijn
de CSAs gedwongen om in aansluiting geïnteresseerde
consumenten op wachtlijsten te plaatsen. De CSA-contracten
bieden beide partijen boer en consumenten zekerheid
inzake de duur van het contract, de betaling, de wekelijkse
voedselafhaling,
De consumenten wonen meestal in de
nabijheid van de CSA-boerderijen, waardoor de tussenhandel
uitgeschakeld wordt, er geen nutteloos vervoer is en er ook
geen koeling nodig is. De handel wordt dus tot een minimum
herleid.
Pergola-Associatie in Nederland Nederland werd voor het eerst
met de gemeenschapsgedragen landbouw geconfronteerd toen Dr.
Andrew Lorand (cfr. supra) er in 1994 een lezing kwam over
geven. Jolien Perotti trok met Lorand mee naar de VS voor
praktijkervaring en een opleiding om Nederlandse boeren te
begeleiden. In 1996 keerde Perotti terug naar Nederland om
er een beweging van gemeenschapsgedragen autonome landbouw,
die ze de ietwat clowneske benaming Pergola-Associatie gaf,
uit de grond te stampen. Het begrip pergola staat
symbool voor de directe economische verbintenis tussen boer
en consumenten: de consumenten vormen het symbolische geraamte
dat de plant de boerderij steun verleent zodat
die kan omhooggroeien. Ook Dr. Lorand kwam nog regelmatig
naar Nederland voor advies en lezingen.
In 1997 adviseerde Jolien Perotti het biologisch-dynamische
tuinbouw- en pluimveebedrijf De Oosterwaarde van Tineke Bakker
in Deventer (provincie Overijssel) om de eerste Nederlandse
Pergola-Associatie te worden. In 1998 volgde het tuinbouwbedrijf
De Aardvlo in Bunnik (provincie Utrecht), terwijl in Wageningen
(provincie Gelderland) tevens het tuinbouwbedrijf De Nieuwe
Ronde opgericht werd. Daarna kwam echter de klad er in, omdat
Jolien Perotti naar Noorwegen verhuisde. Daardoor kende de
gemeenschapsgedragen landbouw in Nederland nooit een grote
groei zoals in andere landen. Bovendien zijn de Pergola-Associaties
in Nederland niet verbonden in een netwerk, waardoor hun aantal
moeilijk te bepalen is. Er zijn er alleszins minstens 7, wat
echter héél weinig is voor een land als Nederland.
Het pioniersbedrijf De Oosterwaarde in Deventer teelt meer
dan 40 gewassen en houdt enkele honderden leg- en slachtkippen.
In de toekomst zal hier ook nog melkveehouderij bij komen.
Tineke Bakker wordt nu op het 19 ha grote De Oosterwaarde
bijgestaan door haar man Jelle Meindertsma. Daarnaast werken
er nog 2 arbeidskrachten, evenals 1 à 2 stagiairs en
leden der Pergola-Associatie. Voor de laatsten zijn er diverse
werkgroepen: een beleidsgroep, een chauffeursgroep, een communicatiegroep,
een inmaakgroep, een klussengroep en een landarbeidsgroep.
De inbreng der consumenten gebeurt voornamelijk via deze werkgroepen,
e-mail en een jaarlijkse enquête. De productie
aardappelen, groenten, kleinfruit, eieren en diepvrieskippen
wordt voor 90% afgezet aan de meer dan 200 leden der
Pergola-Associatie en voor 10% via een boerderijwinkel en
een biologisch restaurant. De leden kunnen opteren voor een
contract voor 1 maand, 3 maanden, 6 maanden of 1 jaar. Tot
2010 verbouwde het biologisch-dynamische tuinbouwbedrijf De
Aardvlo van Michel en Mariëlle Smits op 2 hectare grond
ongeveer 40 soorten groenten, fruit, kruiden en bloemen. Daarvan
werd 40% afgezet via de 100 consument-leden van De Aardvlo
en 60% via de boerenmarkt en de boerderijwinkel. De familie
Smits werd bij de teelt bijgestaan door 15 à 20 leden
en zorgbehoevenden. Vanwege de stijgende belangstelling voor
de manier van werken werd De Aardvlo in 2010 opgesplitst in
2 aparte tuinbouwbedrijven. Zo verbouwt de familie Smits nu
op het 1 hectare grote AmelisHof 50 soorten gewassen,
terwijl de rest nu onder de naam De Volle Grond wordt gerund
door Mariken Heitman en Mieke Baldé, bijgestaan door
vrijwilligers en zorgbehoevenden.
De Nieuwe Ronde van Klaas en Wendela Nijhof teelt op 1,5
hectare grond biologische groenten, kleinfruit, bloemen en
(keuken- en thee)kruiden voor ca. 140 gezinnen. Er werkt ook
een voltijds arbeidsequivalent (verzorgd door leden-vrijwilligers)
of een stagiair. De Kraanvogel van Maarten en Hermien van
Liere in het Noord-Brabantse Hilvarenbeek is een biologisch-dynamische
boerderij met veeteelt en groententeelt, die tevens zorgboerderij
is. Deze Pergola-Associatie telt 100 gezinnen, terwijl er
ook een kapitaalinbreng is van een 50-tal mensen. De Birkenhof
van Joop en Corine Wantenaar in Soest (provincie Utrecht)
is een biologische boerderij met melk- en slachtvee, legkippen
en groenten-, kruiden- en bloementeelt. Er werkt ook een voltijdse
arbeidskracht en leden-vrijwilligers. De Nieuwe Akker in het
Noord-Hollandse Haarlem werd gesticht op initiatief van consumenten
die zelf de zelfstandige tuinbouwer Erik de Keulenaar aantrokken
om de ca. 1 hectare grond te bewerken. Hij teelt op biologisch-dynamische
wijze groenten, fruit, kruiden en bloemen.
De voordelen van AMAP voor de maatschappij
De voordelen van AMAP draaien rond ecologie, sociale rechtvaardigheid
en economische levensvatbaarheid. AMAP streeft met haar directe
band tussen boeren en consumenten naar een solidaire economie.
De consumenten worden actief betrokken bij het productieseizoen.
De teelt van het voedsel gebeurt meestal op duurzame, biologische
of biologisch-dynamische wijze. De prijs van de wekelijkse
voedselmand is gebaseerd op de productiekosten en niet op
het gewicht der producten. De boer vermijdt zo de risicos
van de markteconomie en is onafhankelijk van de grootdistributie.
Daarnaast zijn er ecologische voordelen: AMAP-voedsel legt
geen honderden kilometers af om tot bij de consument te raken
en heeft veel minder verpakking nodig, terwijl dit soort landbouw
ook minder energie vereist en voordelig is voor de biodiversiteit,
de bodem en het grond- en oppervlaktewater. Verder bevordert
AMAP de terugkeer van specifieke lokale en regionale voedselsoorten,
die verdwenen of met uitsterven bedreigd waren. Tevens stimuleert
AMAP de lokale economie door extra tewerkstelling te creëren,
doordat er meer lokale arbeidsprocessen plaatsvinden en door
geld vast te houden in de lokale gemeenschap (waardoor het
niet naar het buitenland kan wegstromen). AMAP leidt bovendien
tot betere sociale relaties, verantwoordelijkheidsbesef, een
gemeenschapsgevoel en vertrouwen.
Conclusie
AMAP is een succesvol concept om boeren opnieuw een normaal
inkomen te bezorgen, wat in de huidige kapitaalintensieve
landbouw immers niet meer vanzelfsprekend is. Vermits de aanhoudende
schaalvergroting geen oplossing biedt, zijn alternatieve agrarische
activiteiten de enige uitweg. Opmerkelijk is dat het AMAP-fenomeen
ontstond vanuit de bevolking, zonder enige vorm van overheidstussenkomst.
De rode draad door het AMAP-verhaal is het sociaal-economische
partnerschap van stabiele afzetmogelijkheden zoekende boeren
en in veilige voeding geïnteresseerde consumenten. Waar
in de gangbare landbouw alleen de boeren de risicos
(slechte marktprijzen en misoogsten door tegenvallende weersomstandigheden
en ziekten) dragen, steunen in een AMAP boeren en consumenten
elkaar en delen de risicos én voordelen (onverwacht
zeer goed geslaagde oogsten) van de voedselproductie. Bovendien
verlost de directe verkoop aan de leden der AMAP-gemeenschap
de boeren van de verkooplast en bezorgt hen betere prijzen
en inkomenszekerheid (doordat de consumenten op voorhand betalen),
zodat ze kunnen werken in harmonie met het land en de seizoenen.
AMAP-boerderijen zijn daardoor economisch rendabele en volwaardige
bedrijven, die een boerengezin (en ook eventuele medewerkers)
een normaal en stabiel bestaan bezorgen. In ruil ontvangen
de consumenten wekelijks een deel van de oogst, meestal aardappelen,
groenten en fruit, soms aangevuld met zuivelproducten, kruiden
en vlees. Daarnaast hebben ze ook de voldoening van een hernieuwde
verbondenheid met het land.
AMAP zorgt aldus door gemeenschapsvorming, ecologische teeltwijzen
en lokale en seizoensgebonden voedselproductie én -consumptie
voor duurzame, solidaire landbouw die niet afhankelijk is
van teeltrisicos of schommelingen in de marktprijzen.
Bij deze sociaal-economische innovatie gaan boeren en consumenten
een verbintenis aan en nemen tegenover elkaar verantwoordelijkheid
op. Deze beweging contrasteert dan ook sterk met de vrijemarkteconomie
die de landbouw en de maatschappij ontwricht. De diversiteit
der teelten wordt in eerste instantie bepaald door de seizoenen
en door het plaatselijke agrarische en ecologische systeem.
De individuele wensen der consumenten zijn pas in tweede instantie
belangrijk.
Het geheim van het succes van deze gemeenschappelijk gedragen
landbouw is betrokkenheid, doordat boeren en verbruikers
zich afhankelijk van elkaar opstellen. Bij de stedelijke consumenten
in de industrielanden is er een toenemend bewustzijn dat organisch
geproduceerd voedsel hun gezondheid sterk kan ten goede komen.
Consumenten vertrouwen immers de voedingsindustrie niet meer
en zoeken alternatieve voedingsvormen. Daarnaast zijn ze de
ingewikkelde verhalen over de ecologische voetafdruk, energie,
transport, de WTO,
beu en willen ze gewoon gezonde
voeding. Daardoor is er een sluipende tendens ingezet die
het AMAP-concept sociaal aanvaardbaar maakt. Mensen willen
immers terug naar hun wortels, opnieuw normaal leren koken
(in plaats van voedsel uit blik, bokalen, dozen en plastic
op te warmen) en diverse voedselsoorten herontdekken. Dat
de AMAPs seizoensgebonden recepten meegeven met de wekelijkse
voedselmand komt daarbij goed van pas. AMAP behoort dus tot
de brede beweging van nieuwe gemeenschapsvorming en duurzame
landbouw waar een groeiend publiek voor is. Deze gemeenschapsvorming
steunt op economische relaties, bewustzijn van de samenhang
tussen voeding en gezondheid, sociale relaties (consumenten
ontmoeten elkaar op de boerderij, afhaalpunten of ledenwerkdagen
en hebben een gemeenschappelijke visie), ecologische productie
en een hernieuwde band tussen stad en platteland of tussen
boer en consument. Door het rechtstreekse contact tussen boeren
en consumenten ontstaat meestal een vertrouwensrelatie die
de belangrijkste kwaliteitsgarantie vormt voor het geproduceerde
voedsel.
ADDENDUM:
Voedselteams in Nederlandstalig België Naast het AMAP-concept
bestaat in Nederlandstalig België nog een ander belangrijk
alternatief agrarisch distributiesysteem. In 1996 werd namelijk
de marxistisch geïnspireerde Vzw Voedselteams gesticht
door Elcker-ik (avondschool en praatgroep), Vredeseilanden
(Derde Wereld-organisatie) en Wervel (organisatie voor rechtvaardige
landbouw) naar het model van de Japanse Seikatsu-club: een
groep mensen (een team genaamd) koopt collectief
voedsel aan bij lokale boeren. In 2011 telde Voedselteams
120 lokale teams en een 80-tal boeren in heel Nederlandstalig
België. De meeste teams situeren zich in Vlaams-Brabant,
Limburg en het noorden van Oost-Vlaanderen. Zon lokaal
team bestaat uit 10 à 30 gezinnen en wordt bevoorraad
door 4 à 5 boeren.
De leden geven wekelijks aan hun lokale team door welke voedselproducten
ze willen aankopen, waarop dit team dan de totaliteit van
de bestellingen doorgeeft aan de boeren en later ook de distributie
van het geleverde voedsel doet. Het team heeft hier dus een
handelsfunctie. De leden zijn niet verplicht om wekelijks
te kopen, maar er wordt wel gevraagd om regelmatig te kopen,
omdat de boeren hun verkoopsverwachtingen en hun zaaiplanning
baseren op het aantal leden. Bij Voedselteams worden de boeren
niet op voorhand betaald zoals bij AMAP.
Nadelig aan deze manier van werken is dat de teams veel werk
hebben met het noteren, groeperen, doorgeven en ontvangen
der bestellingen, evenals met de controle op de teruggave
van het leeggoed, het opstellen der maandelijkse facturen
aan de leden en het controleren van hun betalingen. Tevens
leert de consument zo ook geen onbekende voedselsoorten kennen,
zodat hij meer blijft hangen in zijn oude voedingsgewoonten.
Dit systeem moedigt de boer dan ook niet aan om oude, lokale
voedselsoorten in stand te houden.
De doelstellingen van Voedselteams zijn: een kleinschalige,
duurzame en levensvatbare landbouw; een gezonde en duurzame
voeding zonder chemische bestrijdingsmiddelen, hormonen en
bewaarmiddelen; het stimuleren van lokale economieën.
Voedselteams koos daarom voor een meer directe distributie
en het aanklagen van de ontwrichtende effecten van vrijhandel
voor de landbouw en van het nutteloos heen en weer vervoer
van voedsel door de agro-industrie. Voedselteams verzet zich
ook tegen de individualisering door het leggen van sociale
contacten binnen het lokale voedselteam, maar de contacten
met de boer zijn minder dan bij AMAP (waar de boer een centrale
rol speelt en vaak bij al zijn consumenten bekend is, wat
een heel directe band creëert). Contact met de boer beperkt
zich tot een consumentenbezoek aan de boerderij of een bezoek
van de boer aan het team (terwijl in de meeste AMAPs boer
en consumenten elkaar wekelijks zien).
In tegenstelling tot AMAP kent Voedselteams een gecentraliseerde
structuur, waardoor de teams geen lokale accenten kunnen leggen.
Voedselteams beperkt zich bijvoorbeeld tot een minimumeis
van duurzaam geproduceerde voeding, wat het een lokaal team
moeilijk maakt om te opteren voor uitsluitend biologische
of biologisch-dynamische voeding. En waar de AMAP-boer door
de consumenten op directe en permanente wijze gecontroleerd
wordt via de wekelijkse afhaling, ledenwerkdagen en bedrijfsbezoeken,
moet de producerende boer bij Voedselteams een zogenaamde
duurzaamheidsscreening ondergaan. Dit is een onderzoek
door regioverantwoordelijken van Voedselteams naar de toepassing
van en vooruitgang in duurzame landbouwmethodes. Verder vraagt
Voedselteams én een jaarlijks lidgeld van de consumenten
(10 euro per gezin) én een bijdrage der producenten
(ter waarde van 3% van hun omzet), terwijl het Ministerie
van Cultuur (!) waarom niet het Ministerie van Landbouw?
ook nog subsidies geeft. Deze rijkelijke inkomsten
laten onder meer toe om 3 vaste medewerkers tewerk te stellen.
Voedselteams verschilt dus sterk van AMAP, waar de leden
op voorhand betalen en de boer inkomenszekerheid en een gegarandeerde
afzet kent, waar de leden geen wekelijkse bestellingen moeten
doorgeven en gewoon hun wekelijkse voedselmand afhalen (er
is wel overleg vóór het zaai- en plantseizoen
over wat de consument wenst), waar de consument nieuwe voedselsoorten
leert kennen en een zeer gevarieerde voeding eet en waar de
boer omwille van die gevraagde voedseldiversiteit met uitsterven
bedreigde voedselsoorten instandhoudt. De ruime organisatorische
vrijheid der lokale AMAPs leidt bovendien tot een mooie eenheid
in verscheidenheid. AMAP kent tevens géén lidgelden
en draait alleen op vrijwilligers. Voedselteams drijft weliswaar
op een terechte bekommernis om de teloorgang van de landbouw
en biedt de boeren ook betere prijzen dan de vrije markt door
het uitschakelen van tussenpersonen in de distributie. Deze
vzw kent echter een nogal complexe en bureaucratische structuur
waarvoor overheidssubsidies noodzakelijk zijn, terwijl de
teams door de omslachtige distributie met nodeloze administratie
opgezadeld worden. Voedselteams lijkt bijgevolg voor een stuk
in hetzelfde bedje ziek als het systeem dat het wil bestrijden.
Verwijzingen Webstek van Dr. Andrew Lorand: www.andrewlorand.com/homepage.html
Webstek van het regionale netwerk van AMAP: www.reseau-amap.org
Webstek van de nationale structuur van AMAP: miramap.org
Webstek m.b.t. de onder het Waalse Saveurs Paysannes ressorterende
GACs: www.saveurspaysannes.be/m/index.php?option=com_content&view=article&id=106&Itemid=50
Webstek van het Brusselse netwerk GASAP: www.gasap.be
Webstek van de AMAP Helia in Louvain-la-Neuve (België):
amap-helia.blogspot.com
Webstek van het netwerk CSA-Vlaanderen in Nederlandstalig
België: www.csa-netwerk.be
Webstek van CSA De Doederij in Sint-Katelijne-Waver (België):
www.doederij.be
Webstek van Pergola-Associatie De Kraanvogel in Hilvarenbeek
(Nederland): boerderijdekraanvogel.nl
Webstek der internationale koepelorganisatie URGENCI: www.urgenci.net
Webstek van Voedselteams in Nederlandstalig België: www.voedselteams.be
1 Schumacher is vooral bekend van zijn
boek Small is Beautiful: a study of economics as if
people mattered uit 1973, waarvoor hij inspiratie vond
in de pauselijke sociaal-economische encyclieken en in het
distributisme van katholieke denkers als Hilaire Belloc, G.K.
Chesterton en Vincent McNabb.
|
© Arjan Plantinga
Alle rechten voorbehouden
|
|
|
|
|
|
|